In 1979 werd ik, veel te laat eigenlijk, lid van een schaakvereniging. Dat was in één van de Amsterdamse tuinsteden bij het toen nog tamelijk roemruchte Tarrasch-Lasker. Ik speelde er tegen legendarische figuren uit de Amsterdamse schaakwereld: Gerrit Bobeldijk, de oude Kees Verwey, Mels van de Water. De club speelde op woensdag, in die tijd een zeer gewaagde dag, omdat áls er gevoetbald werd, dan was het op die dag, en nergens anders. Op zulke avonden zaten we er met z’n drieën.
Het waaide een beetje over. Ik verhuisde naar Almere, werd daar nog wel even lid van de plaatselijke schaakvereniging, maar kon er niet aarden, in zoveel betekenissen van het woord. Terug in Amsterdam Oud-West ontdekte ik na een paar jaar dat mijn oude schaakclub was meeverhuisd. Onder een nieuwe naam, dat wel. Op DCG kwam ik al die oude gekken weer tegen, en een paar nieuwe: Jan Koens, Bakker Stroo, Peter Voets, Wim Sieverding, Arnfried Pagel. Ik kreeg schik in het verenigingsleven en werd al snel gestrikt voor het bestuur. Een paar jaar secretaris gespeeld voordat de anderen erachter kwamen (wat ik allang wist) dat ik daar niet zo geschikt voor was. Redacteur van het clubblad geworden, natuurlijk, en tijdens een heftige ledenvergadering (daar konden ze wat van, bij DCG) ineens uit hoofde van dat redacteurschap weer tot bestuurslid gebombardeerd. En passant was ik ook nog nationaal arbiter geworden.
Het clubleven bij DCG was tamelijk vrij invulbaar: je kon je, als je wilde, voor een schaakpartij laten indelen, maar het kwam geregeld voor dat we met z’n vieren gingen doorgeefschaken, of zomaar een serie vluggertjes speelden. Daar hoorde jenever bij.
Veel jenever.
De club beheerde zelf de bar, en dat is haar uiteindelijk noodlottig geworden. Dat ging zo:
Door ambities verblind, begon de vereniging spelers te betalen. In eerste instantie de lokale broodschaker Robbie Hartoch. Jan Roele kwam voor een paar tientjes meedoen. Een jaar (en een promotie) later waren er ineens de twee Engelse internationale meesters Angus Dunnington en Gary Lane, in de loop der volgende jaren gevolgd door spelers als Shahin Mohandesi, Marcel Jadoul, Paul Bierenbroodspot, Bruno Carlier, Frans Borm, Dimi Reinderman, Vladimir Chuchelov, Yge Visser. Het werd steeds groter, dat waterhoofd. Hartoch was al lang niet goed genoeg meer voor een plaats in het eerste. De clubkampioen, toch altijd goed voor een rating van 2100, mocht in zijn handen knijpen als hij een plaats in het tweede kreeg. Het bestuur werd een instabiele groep querulanten die elk moment uit elkaar kon spatten. Als uiterste wanhoopsdaad werd ik zelfs gevraagd voorzitter te worden, hoewel ik aantoonbaar geen leidinggevende kwaliteiten bezat, en bovendien een verklaard tegenstander was van het profbeleid, en daarover menig kritisch stukje in mijn clubblad gezet had. De bedoeling was dat ik de verhitte groepen binnen de vereniging bij elkaar zou brengen.
Alle zeilen moesten worden bijgezet, en dat betekende dat ook de afdrachten van de bar in de begroting ten behoeve van de grootmeesters werd opgenomen. Dat werd een aantal leden te bont. Er kwam opstand en de club spatte daadwerkelijk uit elkaar. Ik vluchtte naar Leiden, later naar Den Haag, en had even geen zin meer in schaakverenigingen. De smeulende resten van DCG gingen op in S.V. Tal, dat prompt van de 1e klasse KNSB doordegradeerde naar de regionale promotieklasse. ‘Wat een treurigheid,’ om met George Boellaard, één van de rebellen van toen, te spreken.
Toen vond ik mijn herfstig levensgeluk in het bescheiden Haarlem, en na een weifeling besloot ik me toch maar weer eens bij een schaakvereniging te vervoegen. Uiteraard werd dat HWP, al was het maar vanwege het speelgebouw. Maar ook de hardnekkig vastgehouden positie van tweedst sterkste club van de regio vond ik sympathiek. Ik stortte me enthousiast weer op de schaakstudie, en experimenteerde naar hartelust met mijn lievelingsopeningen (de Grob, het “Meester Eksteen Paniek Complex” (1 e3 e5 2 e4!), het Englund Gambiet, de Traxler, en natuurlijk het onvolprezen Blackmar-Diemergambiet).
Toen, ergens in het tweede jaar trad er een kentering op. Ik ontdekte dat ik schaken fysiek steeds moeilijker begon te vinden. Naast de gewone oude-mannenkwaaltjes als rugpijn en wintertenen, gewerd mij een telkens knijpender gevoel van druk: op de borst, op de darmen. Ik heb een keer van Kir Teo verloren omdat ik vier keer op de WC heb staan kotsen. Het waren geen zenuwen, want wat is winst nu, of verlies? Het was iets anders, ik kan er de nagel niet onder krijgen.
Wat ik vijftien jaar geleden nog makkelijk kon, om 7 uur opstaan, een dag werken, een avond schaken, een halve nacht “analyseren” (jaja), gelukte me al helemaal niet meer: ik dommelde steevast rond tienen in slaap, en verknoeide mijn partijen. Van openingsstudie kwam ook niets, en in plaats van mijn woeste favorieten, viel ik terug op de slapste systeempjes die je maar kunt bedenken, ten onrechte vertrouwend op een scherp verminderde eindspelvaardigheid. Wat moest ik? Het drukt je wel met je neus op de deprimerende feiten des levens.
Iedere dinsdag werd ik gedwongen te beslissen of ik die avond wel in staat was tot schaken. Het was steevast een verkrampt “nee!” Na bijna een half jaar aldus getobt te hebben, heb ik eind december dan maar definitief de knoop doorgehakt, Frits Welling gebeld en me uit laten schrijven.
Natuurlijk met spijt: ik ben dol op schaken, volg alles, heb abonnementen op tijdschriften, vijf meter boeken in de kast, blader voor het slapen gaan door de dikke van Perlo, of de 1234 van Lommer, heb op mijn werk op de achtergrond Reggio, of straks Hoogovens (jaja, ik weet het!) live, zal zaterdags blijven komen kijken naar de KNSB-wedstrijden, doe misschien nog eens mee aan het snelschaken (als ik mag), en blijf fan van HWP.
En misschien, als ik wegens één of andere ouwe-lullenregeling de bieb waar ik werk word uitgeschopt, en ik niet meer zo godsgruwelijk vroeg op moet, wie weet kom ik dan weer meespelen.
Tot ziens.







"Het clubleven bij DCG was tamelijk vrij invulbaar: je kon je, als je wilde, voor een schaakpartij laten indelen, maar het kwam geregeld voor dat we met z’n vieren gingen doorgeefschaken, of zomaar een serie vluggertjes speelden. Daar hoorde jenever bij"
Volgens mij moet dit ook bij HWP gerealiseerd kunnen worden!
Maar ja, ook dan kan het laat worden ....
Laten we allen hopen op een krachtdadig kabinet dat snel korte metten maakt met linkse hobby's als bibliotheken.