
Naar ik begreep zijn er aardbewoners die graag – voor even – afdalen naar de krochten. Hen neem ik mee voor een dag uit het leven van een bewoner van de spelonken waar zwakke schakers huizen: te oud of talentloos, meestal beide.
Mijn dinsdag.
Het halfduister houdt me nog in mijn droom. Ik vlieg over de straten, daal af voor een praatje of een partij tegen iemand die op straat durft te schaken. Ik win – altijd van een man – en stijg weer op.
Eenmaal wakker sta ik aan het aanrecht, maak thee, ontbijt, en staar voor me uit. Uitzicht is er weinig. Vooruitzicht nog minder.
Ik ben niet alleen. Er is weinig contact tussen ons, bewoners. Verloren partijen worden onkundig nabesproken; soms valt er een bemoedigend woord. We kennen ons lot. Stom zijn we niet. Waren we dat maar. Beter een ontevreden mens dan een tevreden zwijn, vond J.S. Mill. Mill heeft hier nooit gewoond.
Of ik gelukkig ben? Het is vooral vochtig. Angstzweet voor weer een nederlaag en bodemvocht dat doorsijpelt.
Vanavond rond zevenen gooien de meesters mij de touwladder toe. Naar beneden kijken doen ze niet. Ik klim opgewekt naar boven – licht, eindelijk, licht en lucht – en fiets naar de plek waar ik even te gast ben. Ik luister naar de les, tussen mijn buren en de buitenstaanders: zij die mijn krochten niet kennen, die in verwarmde huizen met ramen en deuren wonen en denken te weten hoe het hier is.
Dan speel ik mijn partij, meestal met dezelfde afloop. Ik houd me groot. ‘Volwassen gedragen zal je je!’ zei mijn moeder als ik weer eens iets had geprobeerd dat gedoemd was te mislukken. Meestal een relatie.
Niet-krochtbewoners vragen wat ik heb gedaan, geven soms advies en relativeren graag. Ik niet. Ik zet alles af tegen de grote spelers: aardse wezens, en toch vreemd voor mij. Sommige jong, heel jong, sommige een stuk ouder dan ik. Allemaal, stuk voor stuk, beter.
En dan de fietstocht terug. Vroeger fietste ik na mijn bardienst, diep in de nacht, door het Vondelpark en dacht aan de voorbije avond en de omzet. Nu ga ik de gemiste kansen langs en denk aan mijn plan voor de volgende keer. Volharding, misplaatst of niet.
Ik daal af. Boven wordt de touwladder opgehaald.
Ik zit nog even op de bank. Ik ben vooruitgegaan, denk ik stoutmoedig. Ik bied meer tegenstand en win soms. Ondertussen blijf ik waar ik ben, hoeveel ik ook zwoeg, hoeveel stukken ik ook de berg oprol. Men moet zich Sisyphus gelukkig voorstellen, schreef Camus. Ik doe mijn best.
Ik schrijf. Dat deed ik al voordat ik hier belandde. Er was iets in mijn hoofd gebeurd. Mijn hersenen, die toch al hun eigen gang gaan, lieten ook de woorden niet meer met rust. Ze bleven terugkomen, drongen zich op, wilden eruit. Het schaken gaf die stroom een bedding. Elke partij levert iets op: een tegenstander, een afdwalende gedachte.
Ik schrijf achter het bord.
Er liggen hier twee kussens. De grote, vierkante zabuton schud ik op en leg ik op de wat kleffe bodem. Ik zet mijn zafu erop, donkergroen en stevig, gevuld met boekweitdoppen. Ik ga zitten, kruis mijn benen en probeer me af te sluiten voor mijn krocht.
Ik leef hier, maar droom me weg. En vlieg. Met rugnummer 2900.







Geef een reactie