De wederopstanding van het derde

HWP Haarlem K3 – ASC K1 (4½-3½)
zondag 8 maart 2026

Nadat het seizoen niet al te best werd geopend met vier nullen op een rij, waarde het degradatiespook al voorzichtig rond in de kopjes van de spelers van het derde. In Den Haag begon tegen DD echter de victorie, waarna ook het Westland schaakmat werd gezet. Uit de laatste drie ronden moesten daarom nog twee matchpunten binnengehaald te worden om lijfsbehoud vrijwel veilig te stellen. De eerste mogelijkheid daartoe was afgelopen zaterdag, tegen de Alphense Schaakclub.

Na twee uitwedstrijden op rij was het Denksportcentrum weer  plaats van handeling, waar we voor het eerst in de clubgeschiedenis met zeven teams tegelijk aantraden. Fantastisch voor de club natuurlijk, en deze setting inspireerde bijna alle teams tot grootse daden. Eén nadeeltje was er wel: de eerste vier teams zaten wat bijeengepropt, waardoor het niet altijd even makkelijk was om het overzicht te houden bij de borden van de teamgenoten.

Vooraf bekeken moesten we de succesvolle strategie, die we in de treinreis naar DD hadden uitgedokterd, gewoon nogmaals uitvoeren. Winnen als je beter staat dus, en remise keepen als dat niet het geval is. Gezien de Elo-verdeling van de gasten uit Alphen zou dat waarschijnlijk neerkomen op halve punten pakken aan de topborden, om op de lagere borden de punten te gaan pakken.

Gegeven dat uitgangspunt, is het op voorhand niet ideaal als je 1e-bordspeler met zwart een onorthodox variantje in het koningsgambiet om de oren krijgt:

De kritieke voortzetting is hier 5…g4 6.Ph4 f3, waarna de computer zich met zwart weliswaar helemaal thuis voelt in de complicaties, maar dit waarschijnlijk evenzeer geldt voor de witspeler die zich tenslotte van dit gambietje bediend heeft. De varianten zijn te talrijk om hier allemaal te verslaan, dus we doen er ééntje voor het idee. De partij zou verder kunnen gaan met 7.Pc3 Le7 8.Le3 Lxh4 9.gxh4 Dxh4+ 10.Lf2 Dg5 11.Pd5:

Zwart staat beter, maar alleen als hij het vorkje op c7 hier gewoon toelaat en met 10…Pf6 zelf de aanval inzet op de witte koning. Maarja, zie dat allemaal maar van tevoren, zeker als je nog tal van andere varianten door moet rekenen. Olaf kiest daarom vanaf het eerste diagram voor gezonde ontwikkeling met 5…Lg7. De complicaties zijn daarmee natuurlijk niet ineens voorbij, maar hij speelt de opening sterk verder en de partij komt een tiental zetten later in iets overzichtelijker vaarwater:

Structureel heeft zwart een klein plusje, vanwege de zwakte op e4. Olaf vervolgt met 14. .. Df4+ 15. Kb1 Lxc3 16. bxc3, en richt zijn pijlen op de zwakte met 16. .. Pf6. Het paard kan omspelen naar d7, om vanaf daar door te springen naar e5 of c5 met prettig spel voor zwart. Dan is het wel een vereiste dat je na 17.Thf1

vooral geen spoken ziet en kalm verder gaat met je plan door al je stukken op donkere velden te zetten met 17…Kb8. Na 18. Lh5 volgt echter weer een moeilijke keuze, want hoe ga je verder? Olaf haalt de pion op c3 op, maar hij belandt na 18…De5 19.Tf5 Dxc3 20.Td3 in een zetherhaling: 20…Db4+ 21.Dd4 en heen-en-weer schuiven.

Beter was om na Lh5 te gaan spelen op de zwakte op e4, met 5. Dh4, waarna zwart nog lang door kan proberen te duwen. Het behaalde halfje is echter ook een knap resultaat en bovendien vanuit het matchperspectief gunstig omdat daarmee de sterke 2200+ speler van ASC is geneutraliseerd.

Aan het tweede bord zat Rob, en aan hem de schone taak om ook 100 Elopunten verschil te neutraliseren. Rob speelde lang goed, maar kwam uiteindelijk onder forse druk te staan nadat hij vrijwillig zijn cruciale verdediger van veld e4 heeft geruild:

Zwart heeft veel druk op de witte stelling: e4 dreigt te vallen, de pionnenmeerderheid op de damevleugel is mobiel, en de witte stukken staan vrijwel allemaal op de onderste rij. Wit lijkt iets van compensatie te hebben door het sterke paard op c6, maar dat kan relatief eenvoudig worden verjaagd. Rob speelt praktisch sterk: 1. Lg5 is een noodgedwongen pionoffer, om maar zo snel mogelijk te ontwikkelen. Nu moet zwart zich vooral inhouden en de druk op de witte stelling opvoeren, bijvoorbeeld door de enige troef in witte handen onder druk te zetten met 1. .. Lb5. Zwart kiest er echter voor om meteen het pionnetje te snoepen met 1. .. Txe4 2. Txe4 Pxe4.

Na 3. Ld8! Dd7 4. Pd2 Pc5 5. Lxa5 doen de witte stukken opeens allemaal mee, en nadat de pionnen op de b-lijn werden geruild kwamen de heren remise overeen.

Op de kopborden werd het plan dus precies zoals uitgetekend uitgevoerd.

Hoe verging het ondertussen bij de staartborden? Dat zag er lang goed uit: Mink maakte keurig remise – het is op het moment van schrijven onduidelijk hoe – en bij Hubrecht en Roel, respectievelijk op de borden 8 en 6, zag het er goed uit voor de onzen.

Hubrecht kreeg al snel een ruimte-voordeeltje en druk op de zwarte koningstelling. De zwartspeler reageerde niet accuraat en kwam met een ongerokeerde koning en een verminkte pionnenstructuur te zitten. Hubrecht kon doorpakken, opende de damevleugel en won daar een pionnetje:

De daardoor verkregen verbonden vrijpionnen op de damevleugel zijn beslissend. Zwart moet proberen iets te forceren op de koningsvleugel met de half-open g-lijn en de witveldige loper op de lange diagonaal. Hij kreeg daar door accuraat spel van Hubrecht geen kans toe, verloor nog een pion, en even later moest hij opgeven.

Roel kreeg vanuit de opening groot voordeel: een extra pion, meer ruimte, en het loperpaar. Nog belangrijker was echter dat zwart geen fatsoenlijk plan heeft:

Al mag zwart tien zetten doen, er is door het ontbreken van de b-pion geen enkele mogelijkheid om ook maar iets op de damevleugel te bewerkstelligen. Dus dan maar actie op de koningsvleugel forceren, maar daar staan de witte stukken nu net perfect voor opgelijnd. Een zevental zetten later staat het zo:

Goed, alles wint – de computer geeft wit ook winnend voordeel als hij een wachtzet doet als Lb1 – maar de zwarte stelling na 1. f4 Pxf1 2. fxe5 dxe5 3. Txf1 is onherstelbaar kapot. Er zijn geen open lijnen voor de torens, dus zijn de lopers veel sterker. En wederom: er zijn geen fatsoenlijke breekzetten te bedenken, dus is het moeilijk om überhaupt aan een plan te werken. Pogingen om de zwarte velden te blokkeren zetten de witte loper alleen maar in zijn kracht, en inmiddels kwam de tegenstander ook in tijdnood. Het doek viel niet snel daarna.

Ging het dan overal volgens plan? Helaas, zo’n dag was niet en tegenvallers waren er wel degelijk. Peter kwam prima uit de opening, liet toen onnodig z’n witveldige loper slaan maar kreeg later wel de kans een pionnetje mee te snaaien. Nadat zijn tegenstander met La6 zijn toren had aangevallen, had hij zijn eigen kansen wat scherper op het netvlies moeten hebben:

Met 1. Lxf6! had hij een hele prettige stelling kunnen bereiken. De toren slaan op f1 faalt namelijk op Dg3!, waarna de handen wel kunnen worden geschud. Dus moet zwart 1. .. gxf6 inlassen, waarna wit zijn toren ergens veilig neer kan zetten. Peter liet zich echter overbluffen en speelde meteen 1. Tfc1, dat bovendien een ongelukkig veld bleek. Na 1. .. Tfc8 2. De5 Dxe5 3. Pxe5 Pe4 kwam het zwarte paard beslissend de witte stelling binnen.

 Peter speelde nog 4. Le7 Pxc3, moest toen de vreselijke zet  5. Kh1 doen en verloor na 5. .. Pxa2 (daarom staat die toren daar niet goed) een pion. Zwart speelde het vervolg overtuigend uit.

Ook bij Ben ging het onnodig mis. Na een wat heen-en-weer golvend vroeg middenspel, waarin Ben veel tijd verbruikte maar niet direct tot de juiste zetten kwam, krijgt hij een mooie kans nadat wit Ke2 heeft gespeeld:

Met het fraaie 1. .. Pxe4! had hij de partij kunnen winnen. Slaan gaat niet, vanwege de dreiging Lg4+. Daarom moet wit 2. Lxe6 inlassen, waarna zwart de fraaie zet 2. .. Td2+! heeft. Na 3. Ke1 fxe6 mag het paard weer niet geslagen worden, omdat zwart dan kan verdubbelen op de tweede rij en wit mat gaat. Ben zag het helaas niet en komt op een andere manier prettig te staan, met een pluspion. Het eindspel wordt echter niet optimaal gespeeld, de witte stukken worden actief, en Ben verliest uiteindelijk nog.

Dus rustte het resultaat van de wedstrijd, met een 3,5-3,5 tussenstand, op de uitslag van de partij van Daan. Daan speelt nog niet zijn beste seizoen, hoewel gezegd moet worden dat hij voor het derde vaak lastige tegenstanders krijgt. Door voornoemd gebrek aan beweegruimte kon uw verslaggever pas een beetje meekijken toen de meeste andere partijen al beslist waren of in een beslissende plooi lagen.

We komen er daarom in na een sterk gespeelde partij, waarin de heren de tijdcontrole al gehaald hebben. Daan is aan het duwen in een eindspel, met een (vrij)pion meer.

Wit moet hier wachtzetten doen: zijn loper en koning staan optimaal opgesteld. Door met de toren op de eerste rij te blijven, kan wit aan zwart de vraag stellen hoe hij verder wenst te gaan. Het winstplan ligt dan zeker niet direct voor de hand, en het had nog een hele lange avond kunnen worden. Maar nietsdoen is als schaker altijd lastig, en wit forceert de boel: 1. g5 fxg5+ 2. Kxg5 Tf2!, waarna de koning iets verder weg staat van de enge vrijpion op d3. Bovendien is de f-pion van zwart nu van het bord, wat zijn monarch meer mogelijkheden biedt om naar voren te lopen.

Concreet dreigt er bovendien ook iets: als wit niets doet kan zwart winnen met 3. .. d2, waarna de witte loper om kan spelen via c2. Wit denkt dit te verhinderen met 3. Lf3, maar Daan had goed gerekend: 3. .. d2 4. Tg1 Txf3! wint een stuk.

Wit moet terugslaan, maar na 5. gxf3 Lc2 6. Kf4+ Kf6 komt wit net een zet te kort. Dat had de witspeler ook gezien, en dus gaf hij na Txf3 op.

Daarmee is de wederopstanding van het derde compleet, met zes matchpunten op de teller. Mathematisch zijn we nog niet helamaal veilig, maar dan moeten er de komende ronden wel hele gekke dingen gebeuren. Maar eigenlijk hebben we inmiddels een andere status: wie gaat ons na drie overwinningen op rij afstoppen?

Gedetailleerde uitslagen

HWP Haarlem K3 (1978)4½ – 3½ASC K1 (2032)
Olaf Vlieger (2095)♞ ½-½ ♘Dinard van der Laan (2237)
Rob Mulder (2026)♘ ½-½ ♞Clement van de Laar (2118)
Daan Heus (1952)♞ 1-0 ♘Paul de Vries (2137)
Peter Beerens (2001)♘ 0-1 ♞Wouter Dambrink (1951)
Mink Muskens (1889)♞ ½-½ ♘Wouter Hennink (1957)
Roel Faber (1976)♘ 1-0 ♞Twan Kastelijn (1990)
Ben de Jong (1906)♞ 0-1 ♘Sander de Groot (1956)
Hubrecht van den Brekel (1982)♘ 1-0 ♞Martin van Gils (1906)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *